Nederland is ziek. Weliswaar niet terminaal, maar wel ernstig ziek. Zeg maar “griepvaccinatie”-ziek. Eén van de ergste symptomen die we van die ziekte kunnen waarnemen is Geert Wilders van de Partij Voor de Vrijheid. Veel mensen zijn boos op Geert. Boos omdat hij racistische, fascistische, xenofobe en opruiende taal uitslaat en complete bevolkingsgroepen marginaliseert en discrimineert. Het politieke establishment is ook boos op Geert. Niet zozeer omdat hij racistische, fascistische, xenofobe en opruiende taal uitslaat en complete bevolkingsgroepen marginaliseert en discrimineert, maar omdat hij hun stemmen afpakt. Zo krijg je politici namelijk echt boos. Ze beschuldigen Geert van populisme en het oproepen tot haat en hebben er een dagtaak aan om te verkondigen dat Geert een gevaarlijke man is. Ze hebben zelfs recent drie ‘wetenschappers’ laten bewijzen dat de PVV van Geert een extreem-rechtse partij is die de democratie ondermijnt. Geert zegt woedend te zijn. Maar dat is niet zo. Geert lacht zich stiekem de Limburgse ballen oet de boks. Bij de PVV is de champagne niet meer aan te slepen, aangezien ze zetelwinst na zetelwinst behalen in de peilingen. Geert weet namelijk dat hoe meer kritiek hij krijgt van de gevestigde politieke orde, hoe beter dit voor hem en zijn partij is. Veel Nederlanders zijn namelijk niet zozeer moe van Wilders zijn haatpropaganda, maar nog veel meer moe van de ideologische en morele armoede van de gevestigde politieke orde. En Geert weet dit als geen ander.